Historie

De gechiedenis van dit bijzondere Stadspaleis gaat terug tot 1469, toen de raadsman van Keizer Maximiliaan, Gerrit van Assendelft, hier zijn huis bouwde. Nadat het huis meerdere malen werd overgeërfd binnen deze familie van hoogwaardigheidsbekleders, ging door middel van een huwelijk, het huis over in handen van de familie Van Renesse. Deze laatste verbleef niet veel in ’s-Gravenhage en besloten werd, het bezit te verhuren. Niemand minder dan Johan de Witt was voor een aantal jaren één van de huurders. Nadat hij in 1653 tot raadpensionaris van Holland werd benoemd, was het nodig om in een passende en waardige residentie te wonen. Aan het Westeinde vond hij zijn onderkomen.

Maar haar Koninklijke uitstraling dankt Het Spaansche Hof echter aan de Spanjaarden, die het in 1677 verbouwden tot het huidige Stadspaleis. In het Stadspaleis huisde de Spaanse Ambassade: het paleis en de bijbehorende grond waren politiek onschendbaar. Enkele jaren later werd op het terrein van de ambassade een kapel gebouwd. Dit kerkje was eveneens politiek onschendbaar, zodat er katholieke diensten plaats konden vinden.

Ten tijde van de bezetting van Holland door Napoleon, besloot de Spaanse Koning het paleis in 1811 te verkopen. De twee achtereenvolgende eigenaren waren ieder rijke katholieken die het paleis zelf niet bewoonden, het paleis werd in die tijd verhuurd als residentie voor de Franse- en later Deense gezant. Het Spaansche Hof bleef daarmee een diplomatieke residentie.

Jezuiëten

In 1838 werd het huis geschonken aan de Jezuiëten. Op de plek van de huiskapel van de voormalige Spaanse gezanten, werd in deze periode de huidige neoclassicistische Teresiakerk gebouwd. Nadat korte tijd de ambassadeur van Pruisen hier had gewoond (1843-1861), werd Het Spaansche Hof voor lange tijd residentie voor de Britse ambassadeurs.

De Kerk van Teresia van Avila

Op de plaats van de kapel werd in 1839-1841 een katholieke kerk gebouwd in de stijl van het neoclassicisme. De architect van de Kerk van Heilige Teresia van Avila was T.F. Suys, de hofarchitect van de Belgische koning Leopold I. Het is een neoclassicistische driebeukige hallenkerk met Ionische zuilen en gestucte gewelven. De eveneens gestucte voorgevel heeft een risaliet in het midden, aan beide zijden geflankeerd door twee halve zuilen met een fronton, waarboven een klokkentoren staat. Aan de zijkanten van het risaliet – het gevelgedeelte dat over de hele hoogte naar voren uitspringt - zijn nissen met heiligenbeelden, gescheiden door pilasters. Aan de kant van het koor is een pastorie aangebouwd. Het altaar en de preekstoel zijn vervaardigd door de Leuvense beeldhouwer Charles Geerts. De kerk is een rijksmonument en staat op de lijst van de Top 100 der Nederlandse UNESCO-monumenten.

Contact